De voorbije jaren verschenen opvallende studies over microplastics in het menselijk lichaam. Onderzoekers rapporteerden plasticdeeltjes in bloed, hersenen en teelballen. Die bevindingen zorgden voor onrust, maar liggen intussen ook onder vuur. Steeds meer wetenschappers stellen vragen bij de meetmethodes en de betrouwbaarheid van de cijfers. Wat weten we vandaag echt, en wat blijft voorlopig onzeker?
Microplastics in het menselijk lichaam: wat is aangetoond?
Dat microplastics overal aanwezig zijn, staat vast. Plasticvervuiling reikt tot in de diepste oceanen en zelfs tot aan de Noordpool. Wanneer plastic afbreekt, ontstaan microplastics die via lucht, voedsel en drinkwater in ons lichaam terechtkomen.
Het grootste deel scheiden we opnieuw uit. Vooral bij nanoplastics, de allerkleinste deeltjes, bestaat de kans dat ze lichaamsbarrières passeren en tijdelijk in weefsels terechtkomen. Dat plastics het menselijk lichaam kunnen binnendringen, wordt dan ook nauwelijks betwist.
Studies onder kritiek: hoe betrouwbaar zijn de cijfers?
De discussie draait vooral rond de hoeveelheden die sommige studies rapporteren. Zo stelde een onderzoek dat menselijke hersenen het equivalent van een plastic lepel aan microplastics zouden bevatten. Dat resultaat werd bekomen met een analysetechniek die chemische stoffen identificeert na verhitting.
Volgens critici kan die methode echter menselijke vetten verwarren met bepaalde plastics. Dat is relevant, omdat hersenweefsel grotendeels uit vet bestaat. Wanneer onderzoekers daar onvoldoende rekening mee houden, kunnen fout-positieve resultaten ontstaan.
Ook bij andere studies zouden onvoldoende voorzorgsmaatregelen zijn genomen om vervuiling door laboratoriummateriaal of omgevingslucht te vermijden. Omdat microplastics alomtegenwoordig zijn, volstaan kleine meetfouten om resultaten sterk te vertekenen.
Waarom microplastics meten zo moeilijk is
Plastics correct meten in biologische weefsels blijkt technisch bijzonder complex. In tegenstelling tot zware metalen bestaan plastics grotendeels uit koolstof, net zoals het menselijk lichaam. Dat maakt het onderscheid tussen lichaamseigen materiaal en vervuiling lastig.
Bovendien bestaan er nog geen internationaal gestandaardiseerde meetmethodes voor micro- en nanoplastics in menselijk weefsel. Onderzoeksgroepen gebruiken uiteenlopende technieken, waardoor resultaten moeilijk vergelijkbaar zijn en concentraties soms overschat worden.
Wetenschappelijke kritiek hoort bij het proces
Dat studies kritisch worden doorgelicht, is geen teken dat het onderzoeksveld faalt. Integendeel: discussie en bijsturing zijn essentieel voor wetenschappelijke vooruitgang. Zeker in een relatief jong domein zoals microplastics is het normaal dat methodes nog evolueren.
Sommige experts waarschuwen wel voor sensationele berichtgeving. Onzekere cijfers die als vaststaand worden gepresenteerd, kunnen onnodige angst aanwakkeren en het vertrouwen in wetenschap onder druk zetten.
Wat weten we vandaag nog niet?
Hoewel duidelijk is dat microplastics in het lichaam kunnen voorkomen, blijft onduidelijk hoeveel dat er precies zijn. Ook over de gezondheidsimpact bestaat nog veel onzekerheid. Of het nu om nanogrammen of hogere hoeveelheden gaat, en wat dat betekent voor onze gezondheid op lange termijn, is nog niet bekend.
Die onzekerheid betekent niet dat het probleem verwaarloosbaar is. Ook bij andere vormen van vervuiling, zoals fijnstof, kennen we de exacte concentraties in onze organen niet, terwijl de schadelijke effecten wel vaststaan.
Conclusie: voorzichtigheid zonder paniek
Microplastics maken deel uit van onze leefomgeving en kunnen het menselijk lichaam binnendringen. De exacte hoeveelheden die in bloed of organen worden aangetroffen, blijven voorlopig onzeker door methodologische beperkingen en het ontbreken van gestandaardiseerde meetmethodes. Verschillende onderzoekstechnieken leveren moeilijk vergelijkbare resultaten op.
Wetenschappelijke kritiek helpt om dat onderzoek te verfijnen, niet om het onderuit te halen. Meer investeringen, betere standaarden en samenwerking over disciplines heen zijn nodig om duidelijke antwoorden te krijgen. Tot dan blijft nuance essentieel: bezorgdheid is terecht, paniek niet.
lees ook
RIVM brengt PFAS-bronnen buiten voedsel en drinkwater in kaart
